De Stichts Ankeveense plassen liggen op de overgang tussen de hooggelegen Utrechtse Heuvelrug en het laaggelegen Vechtdal. Het is een gebied met ondiepe plassen, petgaten en legakkers (ontstaan door veenwinning in het verleden), rietmoeras, moerasbos en graslandpercelen. Van oudsher komen er specifieke natuurtypen voor, deels gekoppeld aan het opwellen van grondwater vanuit de Heuvelrug. Het gebied is belangrijk voor voedselarme verlandingsvegetaties, watervegetaties die horen bij laagveenplassen en moerasvogels. Het waterschap houdt het water in de polder (plassen en naastgelegen graslandgebied) op een vast peil met behulp van stuwen en pompen. In de zomer is het nodig om gebiedsvreemd water in te laten vanuit de Spiegelplas en de ’s-Gravelandse Vaart.
Stichtse Ankeveense Plassen (NL11_6_3) heeft watertype “matig grote ondiepe laagveenplassen” (M27) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 126 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
3201-EAG-1 (Stichtsch Ankeveensche Polder, Ankeveensche Plassen SAP noord), 3201-EAG-2 (Stichtsch Ankeveensche Polder, Ankeveensche Plassen SAP zuid)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Noord-Holland en gemeente(n) Wijdemeren. Het waterlichaam Stichtse Ankeveense Plassen heeft de status Natura2000-gebied en KRW waterlichaam en is in eigendom van Natuurmonumenten.
De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor Matig grote ondiepe laagveenplassen (M27), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen. De Natura2000-doelen zijn gericht op ‘kranswiervegetaties’ en ‘meren met Krabbenscheer en Fonteinkruiden’, trilveen en veenmosrietland en moerasvogels. Er zijn nog kleine restanten van Natura2000 doeltypen aanwezig, namelijk hoogveenbos, galigaanmoeras en trilveen. Het doel voor alle Natura2000 doelen is ‘uitbreiding van de oppervlakte’ en ‘verbetering van de kwaliteit’. Ook is het gebied belangrijk voor verschillende soorten moeras- en watervogels, onder andere de Zwarte Stern en de Grote Karekiet. Daarvoor is voldoende oppervlakte Krabbenscheer (voor Zwarte Stern) en stevig waterriet (voor Grote Karekiet) nodig. Het doel is deze zones te herstellen en uit te breiden.
De huidige toestand vergeleken met de doelen –ontoereikend
De toestand in Stichtse Ankeveense Plassen (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is ontoereikend. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Ov. waterflora. De slechts scorende deelmaatlat van dit kwaliteitselement is Soortensamenstelling macrofyten.
Vooral ondergedoken waterplanten van schoon water zijn sinds 2006 sterk achteruit gegaan. De score op de maatlat Fytoplankton vertoont een negatieve trend (-0.28 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Waterflora vertoont geen trend. De score op de maatlat Macrofauna vertoont een negatieve trend (-0.16 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Deze trend is gebaseerd op twee meetjaren. De score op de maatlat Vis vertoont een negatieve trend (-0.18 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Stikstof en fosfor gaan achteruit gedurende de laatste planperiode.
Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van deze kwaliteit is de hoge voedselrijkdom van het waterlichaam. Fosfaatrijk water stroomt vanuit de oostelijk gelegen gebieden de plassen in. Naast fosfaatbelasting kunnen ook andere factoren een rol spelen, zoals dominantie van brasem een voedselrijke bodem, onderhoud, een tekort aan koolstof en vraat door ganzen en kreeften.
Maatregelen op hoofdlijnen
De maatregelen zijn vooral gericht op het verminderen van de fosfaatbelasting van de plassen, door het afkoppelen van de waterstromen die fosfaatrijk water aanvoeren vanuit het oostelijk gelegen (voormalig) landbouwgebied in de polder. De Stichts Ankeveense plassen profiteren van de reductie van de fosfaatbelasting van de Spiegelplas, omdat dit water wordt ingelaten voor peilbeheer. Daarnaast wordt de stuw tussen de Stichts Ankeveense plassen en de Spiegelplas vispasseerbaar gemaakt. Natuurmonumenten neemt ook maatregelen gericht op verminderen van de fosfaatbelasting, zoals stoppen met bemesten, afgraven van bovengrond, kappen van boomopslag en baggeren van de plassen.
Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.
|
|
Productiviteit water vormt een probleem. Er is sprake van algenbloei en het water is op veel plaatsen troebel. Vooral de hoeveelheid en samenstelling van de waterplanten gaat achteruit. De aanvoer van fosfaat is te hoog. Het grootste deel van het fosfaat is afkomstig van het oostelijke deel van de polders. Het water daar is fosfaatrijk door uitspoeling uit het land en het watert via de plassen af. Het gebied is langdurig agrarisch gebruikt (bemest). Bovendien treedt veenafbraak op door verlaging van grondwaterstanden in het verleden, waarbij voedingsstoffen vrijkomen. Ook de aanvoer van water uit de Spiegelplas is een bron van fosfaat. Plaatselijk komt ook veel fosfaat via bladval in het water terecht. |
|
|
Lichtklimaat vormt een probleem. De bedekking met submerse vegetatie is laag en de soortsamenstelling verslechterd. Wanneer er alleen naar de vertical extinctie wordt gekeken dan valt er wel meer dan 4% licht op de bodem. Door de te hoge belasting met voedingstoffen komt er ook veel perifyton voor in de plas. Deze belemmeren het lichtklimaat voor onderwaterplanten, maar hebben een minder groot aandeel in de lichtuitdoving dan vrij zwevende algen. Humuszuren, zwevende en korstvormige algen en anorganisch stof doven samen het licht. |
|
|
Productiviteit bodem vormt een probleem. Lokaal ligt er in de Sticht Ankeveense plassen een te dikke sliblaag op de bodem (> 20 cm.). Natuurmonumenten heeft de afgelopen jaren een deel van de dikste sliblagen al weggebaggerd. In EAG 2, ten zuiden van het Bergse pad, komen veel woekerende planten voor. Hier staat te veel grof hoornblad zodat de KRW score laag is. De bodem is hier te voedselrijk bodem (>500g/kg dg) en plaatselijk toxisch. |
|
|
Habitatgeschiktheid vormt een probleem. Door de hoge productie van algen en woekerende planten blijft er te weinig koolstof over voor planten van schoon water, zoals kranswieren. Die zijn dan ook grotendeels verdwenen. De macrofauna en vis scoort onvoldoende omdat er onvoldoende leefgebied (vegetatie onder water en langs de oever) aanwezig is voor deze fauna. Veel bomen zorgen voor beschaduwing boven de oevervegetatie. |
|
|
Verspreiding vormt geen probleem. De doelsoorten zijn in de omgeving aanwezig en kunnen er ook komen. De geplande vispassages bij het gemaal tussen de Spiegelplas en Stichts Ankeveen zal dit nog verder verbeteren. De route van en naar de ’s Gravelandse vaart is voor vis passeerbaar. De plassen zijn voldoende groot voor stabiele populaties. |
|
|
Verwijdering vormt een probleem omdat vraat door ganzen en uitheemse rivierkreeften een mogelijk knelpunt vormt voor de ontwikkeling van respectievelijk oever- en watervegetatie. |
|
|
Organische belasting staat onder druk. Er zijn geen riooloverstorten die lozen op het waterlichaam en bladinval is vooral een lokaal pobleem voor de oeverzone. Plaatselijk komt ook ophoping van bladeren en takken in het water voor. Hierdoor ontstaat rotting en voedselrijkdom. |
|
|
Toxiciteit is onbekend. |
Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en WGP Noordelijke Vechtplassen (2019).
| ESFoordeel | SGBPPeriode | Naam | Toelichting | BeoogdInitiatiefnemer | UitvoeringIn |
|---|---|---|---|---|---|
|
|
SGBP3 2021-2027 | Bemesting beperken door aanpassing pachtcontracten | Pachters mogen volgens huidige langlopende contracten nog fors bemesten. In nieuwe contracten mag beperking van de mestgift worden opgenomen. Met Natuurmonumenten wordt afgestemd hoe deze maatregel opgepakt kan worden. | Natuurmonumenten | 2021-2027 |
| SGBP3 2021-2027 | Kleinere maximumhoeveelheid toestaan voor het onttrekken van water oppervlaktewater | Nabij diepe plassen en kleine ondiepe plassen willen we ontrekkingen zoveel mogelijk voorkomen, door een alternatieve locatie te zoeken in een ander peilvak. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP3 2021-2027 | Beperken van de waterstroom vanuit achterland Stichts Ankeveense Plassen | Deze maatregel is vastgesteld in watergebiedsplan Noordelijke Vechtplassen en inmiddels in uitovering. Dit water vanuit achterland is deels kwel en regenwateroverschot en deels wordt het ingelaten door particulieren. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP3 2021-2027 | Onderzoek aankoop landbouwgrond | Dit is een gefaseerde maatregel uit SGBP II. Onderzoek aankoop landbouwgrond op 1 locatie (i.i.g. 3 eigenaren = 20 ha) | Provincie Noord-Holland | 2015-2021 | |
| SGBP2 2015-2021 | Beperken waterstroom vanuit achterland Stichts Ankeveense Plassen | Dit water vanuit achterland is deels kwel en regenwateroverschot en deels wordt het ingelaten door particulieren. De maatregel wordt gefaseerd vanwege vertraging met de defosfatering Kortnehoef (ANKO). Er moet eerst bij een pilotproject worden gekeken of en hoe de beoogde techniek kan worden toegepast. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2015-2021 | |
| SGBP2 2015-2021 | Maatregelen landbouw om nutrientenbelasting op de waterlichamen te beperken fase 1 | Deze maatregel wordt uitgevoerd in meerdere waterlichamen: Amstellandboezem, Vaarten Ronde Hoep, Vaarten Groot Mijdrecht, Bovenkerkerpolder, Noorderlegmeer, Groot Wilnis-Vinkeveen Zuid, Polder Demmerik, Vaarten Zevenhoven, Tussenboezem Vinkeveen a, Mijdrechtse Bovenlanden, Vinkeveense Plassen, Vecht, Vaarten Vechtstreek, Stichts Ankeveense Plassen, Kortenhoefse Plassen, Spiegelplas, Wijde Blik, Loosdrechtse Plassen, Ster en Zodden, Maarsseveense Zodden en omgeving, Molenpolder en Westbroek | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2015-2021 | |
| SGBP2 2015-2021 | Onderzoek aankoop landbouwgrond | Onderzoek aankoop landbouwgrond op 1 locatie (iig 3 eigenaren = 20 ha) | Provincie Noord-Holland | 2015-2021 | |
| SGBP1 2009-2015 | Stoppen bemesten van gronden van NM met kortlopende overeenkomsten | De oorspronkelijke kwantitatieve doelstelling van de maatregel was het uitvoeren van de beheermaatregel op 154 hectare in het plassengebied opgedeeld in:• Het stoppen van bemesten op 30 hectare in het gebied van Hollands Ankeveense plas• Het stoppen van bemesten op 55 hectare in het gebied van Stichts Ankeveense plas• Het stoppen van bemesten op 69 hectare in het gebied van de Kortenhoefse plassen | Natuurmonumenten | 2009-2015 | |
| SGBP1 2009-2015 | Onderzoeken maatregelen Stichts Ankeveense plassen | Het gaat om het uitvoeren van twee deelonderzoeken:1 Verbeteren diversiteit vegetatie Stichts Ankeveen2 Verdergaande maatregelen ter beperking invloed GRV op SAP | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 | |
| SGBP1 2009-2015 | Realiseren P-reductie rwzi Horstermeer (autonoom) | Het gaat om het realiseren van maatregelen om de rwzi aan de wettelijke lozingseisen te laten voldoen | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 | |
| SGBP1 2009-2015 | Uitvoeren waterbeheermaatregelen | Het afstuwen van de doorspoeling vanuit oostelijk deel (GRV) van het plassengebied naar het westelijk deel | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 | |
|
|
SGBP2 2015-2021 | Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Stichts Ankeveense plassen, fase 1 | De maatregel betreft het verwijderen van boom- en groenopslag langs watergangen in het plassengebied.De maatregel wordt als onderdeel van één maatregelpakket (C10) door Natuurmonumenten uitgevoerd in het kader haar LIFE-subsidiecontract met de EU.De uitvoering van de maatregel loopt overeenkomstig de duur van het subsidiecontract van 2013 tot en met 2018. Deze maatregel heeft ook invloed op ESF4, habitatgeschiktheid. | Natuurmonumenten | 2015-2021 |
|
|
SGBP3 2021-2027 | Intensivering van rietbeheer langs de oevers van plassen Natuurmonumenten | Het gaat hier om zowel eenmalige aanpassingen als om structurele intensivering van het onderhoud. Eenmalig is nodig: oevers beschermen tegen graas, bomen verwijderen en afvoeren en infrastructuur aanleggen om intensiever onderhoud mogelijk te maken. Structureel is intensivering van beheer en onderhoud nodig, zodat opschietend hout tijdig wordt verwijderd en afgevoerd; hiervoor is een structurele uitbreiding van SNL-gelden nodig. Bomen die onderdeel van het landschap zijn, hoeven niet verwijderd te worden. We stemmen af met Natuurmonumenten hoe deze maatregel opgepakt kan worden. | Natuurmonumenten | 2021-2027 |
| SGBP1 2009-2015 | Graven petgaten in het oostelijk deel plassengebied | Het gaat om het realiseren van 9 hectare petgaten | Natuurmonumenten | 2009-2015 | |
| SGBP1 2009-2015 | Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 | Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 | |
| SGBP1 2009-2015 | Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Stichts Ankeveense plassen, fase 1 | De maatregel betreft het verwijderen van boom- en groenopslag langs watergangen in het plassengebied.De maatregel wordt als onderdeel van één maatregelpakket met:- Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Kortenhoefse plassen, fase 1 - effect 1,- Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Hollands Ankeveense plassen, fase 1 - effect 1en- Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Tienhovense plassendoor Natuurmonumenten in het kader haar LIFE-subsidiecontract met de EU uitgevoerd.De uitvoering van de maatregel loopt overeenkomstig de duur van het subsidiecontract van 2013 tot en met 2018. | Natuurmonumenten | 2009-2015 | |
|
|
SGBP2 2015-2021 | Vispasseerbaar maken van sluizen, gemalen en stuwen - fase 2 | Het gaat om stuw de Googh tussen Stichts Ankeveen en de Spiegelplas en om gemaal Spiegelplas. Dit zijn eigenlijk twee afzonderlijke maatregelen, maar kunnen niet worden opgesplitst omdat deze al is vastgesteld in SGBP2. Voor Stichts Ankeveen is alleen de passage bij de Googh relevant: Het gemaal van SAP (de Googh) wordt niet aangepast. Dit opvoergemaal is een vijzel die (voor zover bekend) geen vissterfte veroorzaakt. De naastgelegen stuw de Googh wordt vispasseerbaar gemaakt door aanleg van een vistrap (De Wit passage met 7 compartimenten). Hier is 2-zijdige passage mogelijk. In plaats van over de stuw, gaat water in de toekomst dus door de vispassage. Door de vijzel bij te zetten kan ook bij gebrek aan water de passage aan worden gezet. In de uitwerking van deze maatregel is aangenomen dat de Stichts Ankeveense Plassen hierdoor niet extra belast worden met voedingsstoffen, omdat het opgepompte water via de passage direct terugstroomt naar de Spiegelplas. Maar hierover is twijfel vanwege de grote hoeveelheid water, 50 keer zoveel als gemiddelde hoeveelheid inlaatdebiet van Stichts Ankeveen, die wordt rondgepompt en de eigenschap van water om op te mengen. Bovendien is lastig te onderbouwen in welke mate de intrekvoorziening precies bijdraagt aan een betere vispopulatie (voor het halen van de KRW doelstelling is dit niet nodig). Na voltooiing van de passage dient die ook gemonitord te worden. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2015-2021 |
|
|
SGBP3 2021-2027 | Effecten van de toegenomen graasdruk door grauwe ganzen verminderen, mitigeren en/of compenseren | Een maatregel in alle waterlichamen waar een sterke graasdruk van ganzen op de emerse vegetatie bestaat. Door ganzenbeheer krijgen rietoevers meer kans om te herstellen (KRW-doel); dit is ook belangrijk voor de instandhouding van leefgebied voor moerasvogels (Natura2000-doel). Deze maatregel wordt opgenomen in het fauna/ganzenbeheerplan van de Faunabeheereenheid (FBE) en uitgevoerd door wildbeheereenheden en terreinbeheerders. | Gebiedsakkoord Oostelijke Vechtplassen | 2021-2027 |
Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.
Geen herbegrenzing nodig. Eigenlijk zou het N2000-gebied in de oostelijke polder ook als (apart) waterlichaam moeten worden begrensd.
In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt niet gemeten, voor de KRW worden resultaten uit een ander waterlichaam getoond in formele rapportages (niet in deze factsheet). Fytoplankton wordt 1 keer per 3 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam.
Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).
Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.
Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.
Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.
Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.
Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.
Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.
Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.
Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.
GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.
EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.
KRW Kaderrichtlijn water
N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).
EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.
Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.
Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.
Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.
Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.
GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.
SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.
Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.